Onze ademhaling, het hart en de bloedsomloop

Zoals in de inleiding al aangehaald, om goed te kunnen functioneren, is ons lichaam in eerste instantie afhankelijk van zuurstof. De zuurstof wordt getransporteerd door het bloed. Om dit goed te laten verlopen zijn twee organen belangrijk: het hart en de longen.

1. Hart en bloedsomloop

Het hart zit in de borstkas tussen de longen en achter het borstbeen. Het is een vuistgrote holle spierbundel. Door een tussenschot is het hart verdeeld in een linker en een rechter harthelft. Elke harthelft is onderverdeeld in een boezem (bovenste deel) en een kamer (onderste deel). Het hart en de bloedvaten vormen een gesloten geheel waar het bloed in wordt rondgepompt.We noemen dit de bloedsomloop (of circulatie). Doordat er kleppen in het hart en de bloedvaten zitten, kan het bloed altijd maar in een richting stromen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kleine bloedsomloop en de grote bloedsomloop. In de kleine bloedsomloop wordt het bloed vanuit de rechter harthelft naar de longen gepompt en van daaruit naar de linker harthelft. In de lon- gen wordt uit de inademinglucht zuurstof in het bloed opgenomen. Afvalstof (koolzuurgas) wordt afgestaan en met de uitademing naar buiten gevoerd.

In de grote bloedsomloop wordt het bloed (met veel zuurstof) vanuit de linker harthelft via de grote lichaamsslagader en talloze vertakkingen naar alle delen van het lichaam gepompt. Zo krijgen alle lichaamscellen voedsel en zuurstof. Via aders komt het bloed (met afvalstoffen) terug naar de rechter harthelft. Als we in rust zijn pompt het hart ongeveer 70 keer per minuut. De daarvoor benodigde zuurstof krijgt het hart via slagaders die als een krans om het hart liggen: de kransslagaders

2. Ademhaling

We halen adem omdat ons lichaam zuurstof nodig heeft. Die zuurstof zorgt ervoor, dat overal in het lichaam de lichaamscellen in bedrijf kunnen blijven. In het bijzonder voor de hersencellen is dat belangrijk. Want als die uitvallen, raak je bewusteloos. Als hersencellen na vier à vijf minuten nog geen zuurstof krijgen, beginnen ze af te sterven. De hersenen raken dan onherstelbaar beschadigd.

De ademhaling wordt geregeld door de hersenen. Door adem te halen kan het lichaam zuurstof opnemen en afvalstoffen (koolzuurgas) afvoeren. Bij de ademhaling speelt de borstkas een belangrijke rol. Wanneer we namelijk de ademhalingsspieren aanspannen, maken we de inhoud van de borstkas groter. Het gevolg is dat er via de mond-, neus- en keelholte en de luchtpijp lucht in de longen wordt gezogen. Dit noemen we inademing. Als de ademhalingsspieren vervolgens verslappen wordt de inhoud van de borstkas weer kleiner. Door de druk van de ribben en het middenrif op de longen wordt de lucht naar buiten geperst. Dit noemen we uitademing. Als we in rust zijn ademen we ongeveer 12 keer per minuut.

De luchtpijp vertakt zich in de longen tot steeds kleinere luchtpijpjes die ten slotte uitmonden in zogeheten longblaasjes. Rond die miljoenen longblaasjes lopen minuscule bloedvaatjes, de haarvaten. De zuurstof in de ingeademde lucht maakt in de longblaasjes de overstap naar het bloed dat door de haarvaten stroomt. Inademingslucht bevat ongeveer 21% zuurstof. In de longen wordt er 4% van opgenomen in het bloed, zodat er nog 16% zuurstof wordt uitgeademd. Meer dan genoeg dus om in geval van nood via mond-op-mond beademing een slachtoffer van zuurstof te voorzien.

Nu kan er wat misgaan in deze twee vitale systemen van het lichaam.